De geschiedenis van de Beagle:
De Beagle, afkomstig uit Engeland, is een ras dat reeds ver voor Christus als kleine hond werdt gebruikt voor de jacht op hazen. De toenmalige Beagle leek echter nog niet op de Beagle zoals we die nu kennen.
De eerste geregistreerde Beagle komt op naam van Robert Shere, tijdens de regeerperiode van Hendrik VIII (1509-1547).
De Naam beag, beg of beigh is afkomstig uit het Keltisch en betekent “klein”.
Omdat de Beagle van oorsprong voornamelijk voor de jacht op klein wild (hazen en konijnen) werd gebruikt, behoort hij tot de groep “Brakken of lopende honden” , ook wel “hounds” genoemd. Engeland is een van de weinige landen waar nu nog steeds met de Beagle-meute wordt gejaagd, waarbij de honden te voet worden gevolgd. In de meeste landen, waaronder Nederland, wordt de Beagle vooral als huishond of showhond gehouden. In Nederland worden ruim 600 beagles per jaar ingeschreven in het Nederlands Hondenstamboek.

De Kenmerken van de Beagle:
De Beagle is een ideale huishond, alhoewel hij zijn afkomst als jachthond niet zal verloochen.
Hij heeft geen probleem met het omgaan met kinderen of volwassenen. Het is in huis een echte ‘vrijkous’ die zich door iedereen lekker zal laten knuffelen. De Beagle is dus totaal ongeschikt om als waakhond aan te schaffen. Buiten ontpopt de Beagle zich als jachthond en zal tijdens de wandeling al snuffelend elk spoor volgen die hij tegenkomt. Laat men de Beagle los lopen, dan zal hij zijn eigen weg gaan en is niet meer te stoppen. Het zijn echte jagers, die als ze eenmaal een spoor ruiken, alles om zich heen vergeten en luid blaffend het spoor zullen volgen. Zijn zelfstandigheid wordt door ons ook wel als eigenzinnig ervaren. Hij zal dus zeer concequent opgevoed moeten worden. Laat een Beagle ook nooit bij een drukke verkeersweg los lopen. Ze hebben totaal geen notie van het verkeer om hen heen en zouden zo de weg over willen steken als zich daar iets bevindt wat hen interesseert.
Door zijn vrolijke karakter is de Beagle zeer speels. Geef de Beagle in huis veel speelgoed waar hij zich mee kan vermaken. Een bak gevuld met touwknopen, doeken, sokken, tennisballen, zachte speeltjes zal hij telkens weer leeg halen.
De Beagle is erg op gezelschap gesteld en mede door zijn eigenzinnige karakter zal hij het lang alleen laten niet op prijs stellen. Zorg er dus voor dat men vanaf het begin de beagle leert om af en toe alleen te zijn, maar maak het alleen zijn nooit te lang.
De Beagle heeft veel beweging nodig. Naast de uitlaatbeurten wil hij nog graag een uur of meer wandelen en rennen. Zorg wel voor een goede band met de baas vanaf de socialisatiefase, zodat de gehoorzaamheid naar zijn baas toe het wint van zijn jachtpassie.

Heeft u problemen met het consequent opvoeden van een hond en heeft u een druk bezet leventje en daardoor te weinig tijd om een hond op te voeden of voldoende aandacht en beweging te geven, begin dan niet aan een Beagle.

Zoekt u echter een vriendelijke, levendige, intelligente hond en heeft u in en rond uw huis voldoende ruimte en geeft u die de hond ook, dan is de Beagle uw vriend voor het leven.

De standaard van de Beagle:
De standaard is een beschrijving hoe het ras "de Beagle" er uit moet zien.
De standaard is internationaal vastgesteld door de Federation Cynologique
Internationale. (F.C.I.). Tijdens de keuringen dient een keurmeester de honden
te keuren aan de hand van de standaard. De standaard is een omschrijving van het
ras, maar biedt tevens enige speelruimte, zodat niet alle Beagles precies
hetzelfde behoeven te zijn.

De in onderstaande aangegeven nummers komen overeen met de nummer in het plaatje
onderaan de tekst

Typische kenmerken: Een vrolijke Brak wiens wezenlijke functie jagen is, vooral
op hazen, wiens spoor hij volgt. Driest, erg actief, met veel
uithoudingsvermogen en vastberadenheid. Waakzaam, intelligent en van gelijkmatig
temperament.

Algeheel beeld:
Een forse en compact gebouwde Brak, die de indruk wekt van
kwaliteit zonder grofheid.

Temperament:
Lief en oplettend, zonder agressie of angst.

Hoofd en schedel:
Hoofd tamelijk lang, krachtig, maar niet grof, iets fijner bij
een teef, zonder frons en rimpels. Schedel licht gewelfd, matig breed, met
geringe achterhoofdsknobbel (1). Stop goed (2) afgetekend, deze verdeelt de
afstand tussen neuspunt en jachtknobbel zo gelijk mogelijk. Voorsnuit niet
puntig, lippen goed hangend. De neusspiegel breed, het liefst zwart, maar iets
minder pigmentatie bij lichter gekleurde honden is toegestaan. Wijde neusgaten.

Ogen:
Donkerbruin of hazelnootkleurig, tamelijk groot, niet diepliggend, niet
uitpuilend, goed uit elkaar geplaatst, met een zachte aantrekkelijke
uitdrukking.

Oren:
Lang met afgeronde punten: naar voren getrokken bijna tot de neuspunt
reikend. Laag aangezet, fijn van structuur, gracieus en dicht tegen de wang
gedragen.

Mond:
De kaken moeten sterk zijn, met een perfect, regelmatig en volledig
schaargebit; de boventanden moeten sluitend over de ondertanden heen vallen en
recht in de kaken staan.

Hals (3):
Voldoende lang om de Brak in staat te stellen zijn hoofd gemakkelijk
naar de grond te brengen om het spoor te volgen, licht gebogen met weinig
keelhuid.

Voorhand:
Schouder (4) goed naar achter hellend, niet beladen. Voorbenen recht
en goed onder de hond geplaatst, met goede substantie, en rond van bot. Niet
versmallend naar de voet. Middenvoeten (5) kort. Stevige ellebogen (6), noch
naar binnen, noch naar buiten draaiend. Hoogte van grond tot ellebogen ongeveer
de helft van de schofthoogte.

Lichaam:
Bovenlijn recht en horizontaal. Borst (7) daalt tot onder de elleboog.
Ribben goed gerond en ver naar achter doorlopend, kort in rug, maar goed in
verhouding. Krachtige, soepele lendenen (8), de buik niet te veel opgetrokken.

Achterhand:
Dijen zeer gespierd. Sprongen goed gebogen. Sterke, laag geplaatste
hakken (9) en evenwijdig aan elkaar geplaatste middenvoeten.
Voeten: Gesloten en krachtig. Goed gebogen tenen en sterke zoolballen. Geen
hazenvoeten. Nagels kort.

Staart:
Stevig en van matige lengte. Hoog aangezet en vrolijk gedragen (10) maar
niet over de rug gekruld of vanaf de staartwortel naar voren gebogen. Goed met
haar bedekt, vooral aan de onderzijde.

Gangwerk:
Gaat met rechte rug; krachtig gangwerk, zonder neiging tot rollen. Vrije,
ver uitgrijpende en recht naar voren gerichte pas, zonder hoge knie actie.
Achterbenen tonen stuwkracht. De voorbenen mogen niet maaien of kruisen.

Vacht:
Kort, dicht en bestand tegen het weer.

Kleur:
Iedere erkende Brakkenkleur, behalve de leverkleur. Staartpunt wit.

Gewicht en maat:
De schofthoogte mag niet meer dan 16 inches (40,5 cm) of minder
dan 13 inches (33 cm.) zijn.

Opmerking:
Mannelijke dieren moeten twee normaal ontwikkelde testikels bezitten
die volledig in het scrotum moeten zijn ingedaald.

In Amerika heeft men een eigen standaard die hier en daar afwijkt van de Engelse
standaard. In Nederland houdt men vast aan de standaard van het land van
oorsprong, dus Engeland. In Amerika geldt geen minimummaat, men onderscheidt
twee grootte klassen n.l. kleiner dan 13 inch (33 cm) en van 13 tot 15 inch (38
cm). De Amerikaanse Beagle mag geen wam (overvloedige keelhuid) vertonen, en
geen overmatige lip hebben.